Voordracht van Jaap Beemster tijdens het RAAK congres 20 november 2003
Het programma dat ik voor u in petto heb, bestond oorspronkelijk
uit vijf onderdelen.
1. Introductie
2. Vragen aan u
3. Hoe ik Knokker werd
4. Het kind Dutroux
5. Een lied
Omwille van de tijd heb ik het geheel wel laten afdrukken voor u zodat u
desgewenst alles nadien nog eens kunt nalezen. Nu zal ik mij beperken tot de
introductie van mijzelf en de Vereniging Knokkers. Daarna poneer ik hier enige
vragen waar wij zoal mee worstelen en ik besluit deze voordracht met een lied.
Introductie
Over mijzelf: Wie is Jaap Beemster? 48 jaar oud en vader van vijf kinderen. Na
een carrière als stuurman bij de Grote Handelsvaart is hij aan de wal gaan
werken bij een scheepvaartagentschap. Sinds 1986 directeur en oprichter van het
nautisch-technisch expertisebureau Tanido B.V. Hij is lid van de Orde van
Vrijmetselaren (een organisatie waar ik ongestraft vrij “mag” denken). Hij is
mede oprichter en secretaris van de Vereniging Knokkers (een organisatie waar ik
onbedreigd vrij mag voelen).
De Vereniging: de Vereniging Knokkers is ontstaan n.a.v. een tv-uitzending van
de IKON documentaireserie “Knokken heeft zin” (eind jaren tachtig). Deze
documentaire handelt over het gevecht dat mensen met een achtergrond van
kindermishandeling op latere leeftijd moeten leveren om toch nog een redelijke
kwaliteit van leven te kunnen leiden. De Vereniging bestaat nu officieel 10
jaar.
De Vereniging doet niet direct aan de bestrijding van geweld gericht op
kinderen.
De leden zijn volwassenen die op de een of andere manier in hun kinderjaren te
maken hebben gehad met allerlei geweldsuitingen van geweld op hun gericht.
Het doel van de leden is heel simpel; zij knokken voor een zo hoog mogelijke
kwaliteit van hun persoonlijke leven. In dat gevecht gaan wij er van uit dat
ieder zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen welbevinden.
Voor mij is de Vereniging de plaats waar ik de moed heb kunnen opbrengen om het
geschonden kind in mij zelf serieus te nemen. Dit klinkt misschien wat
pathetisch, maar ik weet het ook niet beter uit te leggen. Ik hoop dat u kunt
begrijpen dat ik hier eigenlijk namens dat kleine jongetje dat in mij huist, het
woord voer. Een jongetje dat ik jaren achtereen trachtte uit huis te plaatsen
zou je kunnen stellen. Sinds ik naar dat kind in mijzelf heb leren luisteren en
het te kunnen laten spreken, heb ik steeds minder de neiging om mij op mijn
omgeving af te reageren. Voor mij heeft het lidmaatschap van de Vereniging
opgeleverd dat ik een gevoeliger vader, echtgenoot, werkgever, broer en buurman
ben geworden. En dat voor maar 25 euro per jaar...
Een aantal leden was gelukkig bereid om hier naar toe te komen: mag ik hen
vragen om zich hier aan u voor te stellen? Indien er vandaag bij u vragen
mochten opkomen over onze club, dan weet u wie u nog meer daaromtrent tijdens de
pauzes kunt aanspreken. Ikzelf kan hier niet lang blijven. Business as usual.
Verder hebben wij een zeer informatieve website die u ook kunt raadplegen. (www.knokkers.nl).
Maar nu de vraag: “Wat zoeken wij op een conferentie als deze?”. Wat kunnen wij
toevoegen?
Immers, ieder lid van deze club is zelf verantwoordelijk voor zijn of haar eigen
proces.
Dus ieder kiest op zijn of haar eigen wijze oplossingen om het leven met dat
oude zeer aan te kunnen.
Of met andere woorden: als u ons zou vragen hoe wij over geweld denken, of over
hoe wij denken dat kindermishandeling zou kunnen worden voorkomen, dan zult u
ongeveer 200 verschillende oplossingen aangedragen krijgen. Dat is niet in 15
minuten spreektijd te verwerken.
Waar wij wel op één lijn staan, is de overtuiging dat geweldsuitingen
gericht op mensen, altijd een destructieve uitwerking hebben op degene
die het mikpunt van die geweldsuitingen is of, over onze kinderjaren gesproken,
dat is geweest.
U mag van mij aannemen dat mensen met een Knokkers achtergrond gedurende hun
leven veel energie steken in de vragen als “wat is geweld eigenlijk?” of een
vraag als “valt kindermishandeling eigenlijk wel te bestrijden of te
voorkomen?”.
Voordat ik verder ga wil ik met u graag de dringende afspraak maken dat u het
verhaal en de meningen van Jaap Beemster met een grote korrel zout moet nemen.
Alles wat hij zegt en wat hij denkt is niet “het” standpunt van de leden van de
Vereniging.
Of eenvoudig samengevat: mijn persoonlijke mening is hooguit een mening.
Een van die tweehonderd zal ik maar zeggen...
Vragen aan het publiek
Ik heb mij nu aan u voorgesteld en ik zou graag ook iets van u willen weten. Mag
ik u uitnodigen om mij, door uw hand op te steken, antwoord te geven op de
volgende vragen?
Wie is hier aanwezig vanwege zijn hoedanigheid als therapeut, maatschappelijk
werker of hulpverlener in de geestelijke gezondheidszorg?
Wie is hier aanwezig namens justitie, raad voor de kinderbescherming en/of
politie?
Wie is hier aanwezig als opvoedingsdeskundige / pedagoog?
Zijn er ook vertegenwoordigers uit het onderwijs?
Zijn er ook nog psychologen in de zaal?
En psychiaters?
Last but not least: wie vertegenwoordigt hier een landelijk, provinciaal of
regionaal bestuur? Ergo: de politici?
De laatste vraag die ik wil stellen, vergt enige verduidelijking: ik heb ooit
een opleiding gevolgd in de psychosociale richting omdat ik mijn eigen gedrag en
gevoelswereld wat beter wilde begrijpen. Tijdens die opleiding werd er ook
geleerd hoe ik diende om te gaan met mensen die allerlei soorten van psychische
problemen hadden.
Ik zie nu een paar mensen verschrikt opkijken.
Nee, ik kan u gerust stellen: ik heb die opleiding niet afgemaakt.
Het algemene oordeel van de leiding luidde: ik zou geen goede hulpverlener
worden. Ik was er niet geschikt voor.
En ze hebben gelijk gehad.
Want met het slotjaar van die opleiding passeerden er nogal wat stoornissen,
ziekten en psychiatrische diagnoses de revue.
Daar schrok ik van.
Ik herkende mij er namelijk in.
Oftewel: ook ik heb te maken met de nodige verborgen gebreken en de nodige
krassen in mijn ziel.
Luisterend naar de docenten begreep ik dat ik eigenlijk ook een beetje
schizofreen, een toefje borderline, een scheutje manisch en een wolkje
depressief ben.
En ik vraag mij nu af of er mensen zijn die voor wat betreft hun ziel en hun
geweten helemaal zuiver zijn. Bestáán dergelijke mensen eigenlijk wel?
Afijn, ik vraag aan u of u uw hand wilt opsteken als u er van overtuigd bent dat
u wel helemaal “schoon van binnen” bent. Wie durft?
Hoe ben ik Knokker geworden?
Door een artikel in de Volkskrant dat mij in 1989 onder ogen kwam, ik was toen
34 jaar, werd ik mij gewaar van de bron van mijn persoonlijke lijden. De kop
boven dit artikel; “Kinderen vaak de dupe van Psychische Mishandeling” n.a.v. de
introductie van de video “Johan”, maakte mij abrupt wakker.
Deze video brengt treffend in beeld hoe je een kind kapot kunt krijgen zonder
het te hoeven slaan.
Door dit lullige artikel stortte wel mijn leven op basis van illusies in elkaar.
Een heel verhaal, waar ik u niet mee zal vervelen. Ik schrijf mijn herinneringen
en impressies op voor een boek. Als ik dood ben zal mijn boek misschien
uitgegeven worden. Tenminste, als mijn kinderen dat willen, want aan hen heb ik
mijn boek opgedragen.
In de zoektocht naar mijn eigen geschiedenis, mijn eigen waarheid, de waarheid
van de feiten zocht ik naar alles wat mij verder kon helpen.
De volgende passages uit een van de vele honderden boeken, publicaties, studies
en zo die ik inmiddels gelezen heb, verwoorden treffend hoe het komt dat ik hier
nu toch sta en dat wil ik met alle soorten van genoegen met u delen.
Het liefst zou ik aan u het gehele boek willen voorlezen maar ja, de tijd hè? Ik
citeer:
Wij trekken hoge muren op om ons af te schermen tegen
pijnlijke feiten, omdat we nooit hebben geleerd dat en hoe we met die kennis
kunnen leven. ‘Waarom zouden we ook?’ kan men vragen. ‘Wat voorbij is, is
voorbij. Waarom zouden we ons daarin verdiepen?’ Het antwoord op die vraag is
uiterst complex. In dit boek probeer ik aan de hand van verschillende
voorbeelden aan te tonen waarom wij individueel noch als maatschappij afstand
kunnen of mogen doen van de waarheid over de eigen kindertijd.
Achter de muur die ons moet beschermen tegen de geschiedenis van die kindertijd,
staat namelijk nog steeds het geminachte kind dat wij zijn geweest, en dat
vroeger is verlaten en verraden. Het wacht op het moment dat wij de moed vinden
ernaar te luisteren. Het wil door ons beschermd, begrepen en uit zijn isolement,
eenzaamheid en verstomming bevrijd worden. Dat kind, dat al zo lang op ons
begrip, op respect en aandacht wacht, heeft echter niet alleen behoeften die
vervuld moeten worden. Het heeft ook een geschenk voor ons, dat wij dringend
nodig hebben om echt te kunnen leven, iets wat wij nergens kunnen kopen en dat
alleen dit kind in ons kan schenken.
Het is het geschenk van de waarheid, dat neerkomt op bevrijding uit de
gevangenis van de destructieve opinies en gevestigde leugens, en ten slotte het
geschenk van de zekerheid, die de herwonnen integriteit ons geeft. Het kind
wacht slechts op het moment dat wij bereid zijn het te benaderen, om met zijn
hulp de muren af te breken.
Veel mensen weten dat niet. Ze lijden onder de martelende symptomen en vragen
raad aan artsen, die net als zij het zo noodzakelijke weten afweren. Ze volgen
de adviezen, ondergaan bij voorbeeld volslagen overbodige operaties of laten
anderen lijden. Of ze slikken slaaptabletten, om alsjeblieft maar niet
verontrust te worden door dromen die hen herinneren aan het kind dat achter de
muur wacht. Maar zolang wij het kind tot zwijgen veroordelen, kan het zich
alleen uitdrukken in de taal van slapeloosheid, lichamelijke symptomen en
depressies. Tabletten en drugs kunnen hierbij niet helpen, ze kunnen de
volwassene alleen in nog grotere verwarring brengen.
Veel mensen weten ook dat niet, maar velen weten het sinds lang en kunnen
zichzelf desondanks niet helpen.
Enkelen voelen dat de verdringing van de dromen van hun kindertijd hun leven
vergiftigd; ze weten dat die verdringing eens nodig is geweest voor het kind om
te kunnen overleven, omdat het kleine organisme anders aan de gevolgen zou zijn
gestorven. Enkelen beginnen te vermoeden dat de handhaving van de verdringing
bij de volwassene destructieve gevolgen heeft. Ze denken echter dat men zich
daarbij neer moet leggen, omdat ze geen alternatief kennen. Ze weten niet dat
het heel goed mogelijk is op een ongevaarlijke wijze, gedurende een langzaam
proces, de verdringing van de kindertijd op te heffen en de waarheid te leren
verdragen. Niet plotseling, niet door gewelddadige ingrepen, maar langzaam,
rekening houdend met de bestaande afweer, stap voor stap.
Nog een citaat: Om te voorkomen dat het tientallen eeuwen
oude misdrijf van kindermishandeling zijn gang blijft gaan onder
bagatelliserende etiketten als: traditie, normaliteit, opvoeding ‘voor je
bestwil’, moet de toegang tot de volle waarheid gewaarborgd worden.
Mensen die alleen de muur van zwijgen kennen, klampen zich daar aan vast,
gedragen zich alsof die redding kan bieden tegen alle angsten. Mensen die
eenmaal door een opening hebben gekeken, kunnen het bestaan van die zinloze muur
echter niet meer verdragen. Ze kunnen zich niet voorstellen ooit weer zo te
leven als vroeger, zonder het nu veroverde bewustzijn dat wat zij vroeger hun
leven noemden helemaal geen leven was. Hun tragiek en hun noodlot was dat ze dat
zo lang niet hadden opgemerkt. Een dergelijke tragiek willen ze anderen
besparen, voor zover dat mogelijk is. Ze willen de anderen informeren over de
manier waarop hun lijden is ontstaan en hun vertellen dat er een oplossing voor
is.
Ze willen de anderen doen weten dat het leven, elk leven, veel te kostbaar is om
verzuimd, verspild of weggegooid te worden. En dat het de moeite waard is de
oude pijn te voelen, teneinde daar vrij van te worden – ter wille van het leven.
Woorden die mij uit het hart gegrepen zijn, oftewel woorden uit het boekje “De
Muur van Zwijgen” versus “De waarheid van de feiten”. Zie tevens de
literatuurlijst op onze website.
Het kind in Dutroux
Ik zag laatst een netwerk reportage op de televisie over het “monster” Marc
Dutroux.. Rode draad in het verslag was een onderzoek dat een journalist van “De
Morgen” had gedaan naar de kindertijd van Marc. Er kwam uit naar voren dat zijn
vader en moeder allebei werkzaam waren als leerkrachten. Mensen dus waar je van
mag verwachten dat zij de nodige pedagogische en didactische vaardigheden
beheersen. Het onderzoek leverde op dat die Marc een uitmuntende leerling was
(met gemiddeld een negen) en ook dat zijn leerkrachten bijzonder over hem te
spreken waren.
Dat hij als vijfjarige al op de trein werd gezet voor een reis van ongeveer een
uur naar school, daar kun je je bedenkingen over hebben. En dat hij in de winter
tijdens strenge vorst met een korte broek naar school ging is ook wellicht een
beetje raar. Dat hij door zijn pappie en mammie behoorlijk hard en hardvochtig
werd aangepakt, zal er waarschijnlijk ook niet toe hebben kunnen bijdragen dat
Marc een keurig staatsburger zou worden. Nee, Marc heeft gewoon pech gehad. En
ik denk dat velen onder ons stukken van Marc’s kindertijdervaringen zullen
herkennen uit zijn/haar eigen persoonlijke historie.
Wat mij tijdens deze reportage het meeste pijn deed, was dat toen de
verslaggevers echt geprobeerd hebben om met de vroegere leerkrachten van Marc te
praten, dat absoluut niet mogelijk bleek. Niemand wilde de verslaggevers te
woord staan. De angst was dus groot. De angst dat het je in deze samenleving
kennelijk punten kan gaan kosten als je iets positiefs zou zeggen over iemand
die reeds als een monster of een beest te boek staat.
Alleen al de gedachte dat ik iets van die Marc zou kunnen leren, maakt mij dus
per definitie al verdacht. Het zijn nu alleen nog maar de psychiaters waar onze
gestoorde Marc mee mag praten.
Maar goed, dit is even een persoonlijke mijmering.
Sinds wij als Vereniging Knokkers bestaan, vragen wij ons veel dingen af.
Hoe komt het toch dat als er over geweld gericht op kinderen wordt gesproken,
men het doorgaans heeft over de slachtoffers, maar dat men nooit met de
slachtoffers zelf in gesprek gaat?
Wie heeft het verzonnen dat men “in het belang van kinderen” kan handelen zonder
eerst de betrokken kinderen zelf om hun mening en/of goedkeuring te vragen?
Hoe kan men bedenken dat geweld van buiten af te bestrijden zou kunnen zijn?
Door met een gebroken geweertje, een kruisje of een andere onderscheiding op
mijn revers te lopen, heb ik het geweld in mij zelf nog niet uitgebannen.
Waar komt het toch vandaan dat we de uitingsvormen van geweld (waaronder
kindermishandeling) denken te kunnen bestrijden zonder dat we dan eerst zullen
moeten inzien dat we uiteindelijk allemaal tot geweldzuchtige wezens zijn
uitgegroeid? Mocht het zo zijn dat wij door onze levenservaringen geweldzuchtig
kunnen worden, dan moet een ieder toch ook in staat zijn om dat innerlijke
geweld uit te bannen?
Hoe kan men er van uit gaan dat als “kinderen slaan” bij Wet niet meer zou
mogen, er iets zou kunnen worden bereikt in de strijd tegen kindermishandeling?
Door rood licht rijden mag immers bij Wet toch ook niet? Zou het misschien zo
kunnen zijn dat we ons zo machteloos voelen en graag een “juridisch” handvat
zouden willen hebben om alsnog maatregelen te kunnen nemen?
Hoe is het toch mogelijk dat de meeste goedbedoelende helperds zich niet eens
van hun eigen drive bewust zijn en zelfs heel erg boos worden als je hen
daarover aan de tand voelt? Ooit wel eens aan een psychiater of een rechter
gevraagd hoe hij tot die “beroepskeuze” is gekomen?
Waar komt het mechanisme toch vandaan dat als je je uiteindelijk bewust bent
geworden van je eigen trieste kindertijd en de pijn en het verdriet van en over
je ontstolen kindertijd gaat voelen, je in deze maatschappij welhaast
“automatisch” niet meer voor vol wordt aangezien?
Kan iemand ons uitleggen waarom iemand die nog steeds die oude pijn van vroeger
voelt, zulks alleen nog maar met een psychiater kan bespreken? Hoe komt het toch
dat we maar niet willen geloven dat mensen echt gek van pijn en verdriet kunnen
worden en dat een dergelijk “gek worden” niet bepaald een stoornis is maar
gewoon een gezonde menselijke reactie?
Is het u ook opgevallen dat de wachtkamers van de RIAGGS uitpuilen en de kerken
leegstromen? En dat het gesprek over de heg met de buurman alleen nog maar via
de Rijdende Rechter kan gebeuren?
Heeft u wel eens geprobeerd om u voor te stellen dat u opnieuw geboren zou
worden en meteen kon praten. Hoe zou u deze wereld, onze wereld, dan als kind
ervaren?
Heeft u er wel eens bij stil gestaan hoeveel en wat een kind allemaal moet doen
en laten?
Is deze wereld (voor kinderen) eigenlijk nog wel leefbaar?
U ziet, wij zitten vol met vragen.
Vragen die wij niet aan u stellen, maar vragen die wij aan onszelf dienen te
stellen.
Kortom, vragen zoals alleen een kind ze zou kunnen stellen…
Lied: De Enkeling (van Jules de Corte)
De enkeling staat op tegen wel honderdduizend dingen.
Hij wil niet met de massa mensen mee in het gareel.
Hij wenst er in het slavenkoor een vrije stem te zingen.
Maar voor dat hij het wist had hij een schorgeschreeuwde keel.
Toen hij niet meer kon zingen stond hij op om te gaan spreken.
Hij sprak tot allen die hij als zijn vrienden had beschouwd.
Die zeiden: wat hij zegt is toch zo gek nog niet bekeken.
Maar toch voor onze oren een tikkeltje te boud.
Toen hij niet meer kon spreken stond hij op om te gaan schrijven.
Hij kraste het in de muren van ons meerderheidspaleis.
Opdat wij ons de slaap uit onze ogen zouden wrijven.
Toen sprak er een uit aller naam: Veeg uit dit is te grijs!
De enkeling staat op omdat hij zelf zijn weg wil kiezen.
Hij vecht tegen het monster van de middelmatigheid.
Hij zal bij voorbaat in zijn leven elk gevecht verliezen.
En als hij eindelijk opgeeft zegt men: zo, die zijn we kwijt!
Aldus de voordracht.
Slotwoorden / “Tips voor professionals”
De presentator van het congres vond het geheel toch nog wat aan de korte kant…
Hij vroeg of ik nog wat “tips aan de professionals in de zaal” kon geven.
Ik vertelde hem dat ik de voordracht door alle leden van de Vereniging eerst van
te voren had laten lezen met het verzoek om het van commentaar te voorzien.
Ik gaf aan de presentator aan dat ik van één Knokker een commentaar via e-mail
had ontvangen en dat het belangrijkste advies was om bepaalde passages niet te
gebruiken omdat de toehoorders zich daardoor wellicht te veel aangevallen zouden
kunnen voelen.
De presentator: “Nou, daar moeten ze maar tegen kunnen, vind je ook niet?”
Ik: “Dat zijn uw woorden”.
De presentator: “Wat zou je dan toch wat willen zeggen?”
Ik: “Dan kan ik het beste deze e-mail uitwisseling voordragen. Dat geeft het
beste aan hoe of ik over die “professionals”denk…”
De reactie (De naam is uit hoofde van privacy
overwegingen weggelaten)
Nu de reactie op jouw voordracht.
Ik vind het goed dat je er bij vermeldt dat het jouw mening is en dus maar een
van de 200.
Ik vind het een goede inleiding, maar bij het gedeelte van het "handen opsteken"
van de aanwezigen ben ik bang dat ze zich aangevallen voelen en gaan denken: wie
is die Jaap Beemster, wat moet-ie hier?
Dan ga je verder met vertellen hoe je met Knokkers ben begonnen en ook dat is
prima. Dan zou het eigenlijk moeten eindigen, maar er komt dan nog een heel stuk
over Marc Dutroux en daarvan snap ik echt het doel niet. Dat gedeelte komt op
mij over als een docent die een groep studenten uitlegt wat er allemaal mis kan
gaan en zo. Maar daar zitten die lui van Raak toch niet op te wachten?
Ik kan me voorstellen dat je nu vlak voor het congres dit niet even kan, of wil
herschrijven. Maar misschien lukt het je dan om het persoonlijker te maken. Er
staat daar iemand voor hen, in levende lijve nog wel, die ervaren heeft wat het
is om mishandeld te worden, op welke manier dan ook. En wat het met je doet, en
hoe het de rest van je leven kan beïnvloeden, niet eens altijd negatief. Maar
ook dat je niet bij de pakken hoeft neer te zitten, dat je er uit kan komen door
er hard aan te werken. Dat dat werken niet helemaal in je eentje kan, maar dat
de huidige hulpverlening niet helemaal adequaat daarmee omgaat, etc.
En dan is het wel jouw verhaal, maar zullen heel veel anderen zich daar in
herkennen.
Ik hoop dat je de kritiek als opbouwend wil zien, want het feit dat we daar een
kwartier tijd hebben gekregen heb je, of jullie, verleden jaar toch bereikt.
Misschien wordt het volgend jaar wel een half uur of langer.
Sterkte morgen.
Mijn antwoord
Dank voor je reactie.
Ik zie het niet als kritiek en dàt je reageert is waarschijnlijk opbouwend
bedoeld.
Ik maak echter onderscheid tussen reageren en responderen.
Sta je mij toe dat ik je een antwoord geef?
Ik ga het hele verhaal in de RAI niet voorlezen, maar beperk mij tot de
inleiding en daarna de vragen die wij zoal stellen. Uiteraard besluit ik met dat
liedje.
De volledige tekst wordt wel na afloop uitgedeeld aan de toehoorders, dus de
citaten van Alice Miller en mijn overwegingen inzake Dutroux kan een ieder voor
zich al dan niet ter harte nemen.
Wat ik wel wil laten zien is dat ik daar niet als een zielepiet sta, maar een
mens ben die van zijn eigen geschiedenis tracht te leren door de feiten onder
ogen te zien, hoe pijnlijk dat in sommige gevallen en perioden ook voor mij (of
mijn omgeving) mag zijn.
Met andere woorden; tijdens mijn missie kan ik niet voorkomen dat mensen zich
door mijn uitspreken bedreigd kunnen voelen en mij hoogst waarschijnlijk liever
niet waren tegengekomen. Tot mijn 34ste heb ik bij alles wat ik deed of liet
ernstig rekening gehouden met de mogelijke gevoelens van anderen. Die tijd is
voorbij.
Ik hoop dat mijn "performance" er toe bijdraagt dat meer mensen de moed zullen
oppakken om naar de signalen van dat verraden kind in zich zelf te leren
luisteren en het verdriet en de pijn te leren verdragen. Al is er maar eentje
die het oppikt...
Over "hulpverlening" ben ik zeer bitter gestemd. Mag ik?
Ik ben te lang en te vaak door dergelijke lieden het psychologische labyrint
ingestuurd.
Ik heb ook te veel ervaren in mijn eigen leven hoe vernietigend de zgn.
interventies van de hulpverlening uiteindelijk bij de lijdende mens hebben
uitgepakt.
Zuur genoeg verwacht die psychosociale wegenwacht ook nog een "dank je wel" voor
hun ongevraagde bedenkelijke service, niet te geloven eigenlijk!
Ik zie die goedbedoelende blinde helperts steeds meer als mensen die een
schriftelijke cursus zwemmen hebben gedaan en dan vanaf de kant de drenkeling
toeschreeuwen hoe hij of zij het hoofd boven water kan houden. Goed bedoeld,
maar van geen enkele waarde. Schijthuizen zijn het. Ook al scheer ik nu
waarschijnlijk ook de goeden over de kam van de slechten.
Ik walg van het feit dat er mensen zijn die er een "vak" van hebben gemaakt om
mensen te "helpen".
In heel veel gevallen hebben ze zelf niet eens echte vrienden en bieden zij hun
"professionele" vriendschap aan waar je dan dik voor moet betalen.
Stiekem wordt onze gehele samenleving door deze verachtelijke kameraadschap
verziekt als we niet uitkijken.
Wat dat betreft heb ik veel meer respect voor een hoer.
Die komt er ten minste nog eerlijk voor uit dat we elkaar aan het naaien zijn.
Je weet dus waar je voor betaalt.
En over hoeren gesproken, ik heb ontzettend veel aan deze geweldige vrouwen te
danken, maar dat is een verhaal apart.
Maar ja, het zou absurd zijn als ik het onze welzijnswerkers kwalijk zou nemen
dat zij ziende blind zijn.
Ze weten niet beter.
Ik laat ze maar.
Ook mijn vader en mijn moeder wisten niet beter.
Zolang ze maar met hun tengels van mij afblijven, mogen ze allemaal van mij.
Morgen sta ik er.
Tegenover een zaal vol met grotendeels mensen uit die hulpverlening.
De harde kern uit die zogenaamde softe sector.
Mensen die er rotsvast van overtuigd zijn dat zij "goed" doen.
Mensen zoals mijn vader en moeder.
Mensen zoals ik.
Mijn mening doet er dus verder niet toe.
Dat is immers maar een mening.
Dat heb jij heel goed gezien!
Groetjes,
Jaap